(Leestijd: 6 - 12 minuten)

Rondreis door Mali

Portret van een toeareg

Groepsreis met Djoser van 4 t/m 23 juli 1997

Naar Bamako en verder

Na een vlucht via Parijs komen we in Bamako, de hoofdstad van Mali. We worden welkom geheten door de gids Henko, die vertelt wat ons de komende weken te wachten staat.
Op 5 juli bezoek ik het nationaal Museum in Bamako. Het is hier erg donker omdat de verlichting het niet doet. Verder loop ik wat door de stad om de Afrikaanse sfeer op te snuiven en te genieten van het straatleven.
De volgende morgen vertrekken we naar Sikasso. Ik loop maar wat door het stadje en neem rustig wat foto’s. Veel meer dan “Afrikaanse sfeer” is hier niet te beleven. Sikasso heeft nog wel tata’s (verdedigingswallen), maar deze zijn slecht onderhouden en behoorlijk vervallen.
vrouwen op de markt van BamakoOp de 7e bezoeken we een dorpje in de omgeving van Sikasso, waar de tata’s nog wel goed intact zijn. Bij de waterval van Farako (15 meter!!) hebben we een picknick.
’s Middags bezoeken we de grotten van Missirikoro. Deze liggen in een rotsmassief dat steil omhoog stijgt in de verder vlakke omgeving. In een kleine grot zien we het werk van de fetisjist, die zelf helaas niet aanwezig is. De vloer is bezaaid met kippenveren en geiten- en runderschedels. Dit plaatselijke orakel/medicijnman lijkt dus wel een drukke praktijk te hebben.
Je kunt ook de rots beklimmen door middel van kettingen en steile, stalen trappen. Vrijwel iedereen doet dat, maar ik ga naar het naastgelegen dorp om daar wat rond te kijken. Zo in je eentje krijg je een goede indruk van het dagelijkse leven: mannen liggen en praten veel; vrouwen zijn bezig met het eten en de kinderen spelen.
Veel kinderen reageren enthousiast en het is dan ook een plezier om in zo’n dorp te mogen zijn. Er zijn ook heel veel vogeltjes: de red neck bishop.
Na de overnachting in Sikasso rijden we naar Mopti en doen zo’n 10 uur over die tocht met een lunch in San: rijst met pindasaus (dit blijkt zo’n beetje het dagelijkse voedsel te worden, al zal de pindasaus afgewisseld worden met een rode saus). Onderweg ook nog gestopt in een dorpje met een mooie moskee. Hierna is het mooie weer afgelopen en krijgen we hoosbui na hoosbui en af en toe zie je echt niets. De chauffeur probeerde in zo’n bui een vrachtwagen in te halen en dat was een moment waarop menig medereiziger zich afvroeg hoe het ook alweer in de reisverzekering geregeld is met de terugkeer van doden en gewonden naar Nederland. Het was een griezelige manoeuvre en het scheelde maar een haartje of de bus en de vrachtwagen waren tegen elkaar gekomen en dan zouden we naast de weg terecht gekomen zijn midden in deze woestijn.

Mopti

haven en moskee in MoptiMaar gelukkig halen we Mopti en blijven daar een hele dag. Ik kijk bij de haven waar het een drukte van belang is met o.a. de veerboten over de rivier, het in- en uitladen van schepen en handel aan de oever. Heerlijk plekje om te zitten, wat te drinken en kaarten voor het thuisfront te schrijven.
In de middag bezoek ik de moskee, een merkwaardig bouwwerk zonder een grote ruimte zoals in de meeste moskeeën elders op de wereld. De lemen bouw in Mali vraagt veel ondersteuning en daarvoor zorgen overal dikke lemen pilaren. Het is door die dikke lemen muren wel lekker koel binnen.
Hierna loop ik nog wat rond door de oude stad en beland ik in een opvangtehuis voor doven en wezen en ga ik met een stel kinderen zingen.

Bij de Dogon

Mannen van de Dogon op hun ontmoetingsplekVia Songo en Bandiagara rijden we naar de Falaise, het omhooggestuwde land, dat zich over zo’n 200 km uitstrekt: het gebied van de Dogon. Na de lunch in Dourou maken we een schitterende afdaling te voet.
Onderweg zien we in de verte een hoop grijze lucht en vragen ons af wat dat is. Het blijkt een zandstorm te zijn, die vergezeld gaat van bliksem. Ik behoor tot de voorste vier van de groep en als we beneden zijn besluiten we om door te lopen, want het dreigt ook te gaan regenen dus is het beter om het dorp te bereiken. Plotseling zijn we omgeven door de zandstorm en is het aardedonker. Je kunt nog geen 2 meter vooruit zien, maar we rennen achter elkaar aan in de richting waar we het dorp hadden gezien. Jongetjes komen met zaklantaarns in onze richting, want die hadden ons aan zien komen en zij brengen ons naar een school. Daar zijn we net op tijd, want een enorme stortbui barst los; een complete wolkbreuk die het landschap – voor zover zichtbaar – in een rivier verandert. Een zeer angstwekkende belevenis. Vooral die plotselinge duisternis overdag in combinatie met het onweer dat losbrak, maakte het tot een angstig avontuur.
Als we met ons vieren al in de school zitten, komen een voor een de anderen van de groep – opgehaald door jongens van het dorp - drijfnat binnen. Bij sommigen was echt alles doorweekt, ook de rugzak. Triest, maar wel heel blij dat ze binnen waren.
Als alles weer opgeklaard is kunnen de spullen gedroogd worden, want het is meteen weer warm. ’s Nachts slapen we op het dak van een huis in Nombari, ons eerste dorp van de Dogon.
In Nombari krijgen we een rondleiding door dit mooie dorp van de Dogon. Ook gaan we steil omhoog naar Idjali en lopen verder naar Tireli voor de lunch en voor de volgende overnachting. Het is een heel aparte belevenis om in deze Dogoncultuur door te brengen. Veel huizen en graanschuurtjes zijn van leem en tegen de rotsen gebouwd.
De volgende dag lopen we via Tireli naar Banani. Onderweg bezoeken we Ireli, een ander Dogon-dorp. Ook het dorp boven wordt hier bezocht, maar hier heb ik afgehaakt, want het is me te heet en ik ben veel te moe.
Toguna, ontmoetingsplaats in het dorp bij de DogonIn Banani eet ik ’s avonds ook niet; ik ben te moe en ga al om 20 uur naar bed. Blijkbaar doet goed voorbeeld goed volgen, want de meesten gaan ook slapen. Zo’n tocht in de hitte ga je toch wel goed voelen. Om 1 uur word ik wakker door paniek: het gaat regenen, dus moeten we van het dak af. Iedereen probeert een plekje binnen te vinden. Maar ook hier lekt het, dus moeten we een droger oord zoeken. Het duurt gelukkig niet al te lang en we kunnen vrij snel het dak weer op. Verder lekker geslapen.
De derde dag van de Dogontocht lopen we naar Banani en krijgen een uitgebreide rondleiding. Daar zien we ook de Hogon, de dorpsoudste en opperpriester.
Vervolgens verlaten we de falaise en gaan naar boven, een hete maar mooie belevenis. ’s Middags bezoeken we Bong, waar ‘ouderen ‘ van het dorp bezig zijn om zaken in gereedheid te brengen voor het raadplegen van het orakel: velden worden in bepaalde patronen gelegd in overeenstemming met wat je wilt weten. Daarover worden pinda’s gestrooid, die ’s nachts door de vossen worden opgegeten. De patronen die door die vossen gemaakt worden bepalen het antwoord op je vraag. We overnachten in Sangha.
Op 14 juli willen we weer naar Mopti, maar we worden overvallen door een tropische regenbui, zodat de bus moet wachten. Uiteindelijk kunnen we inladen en vertrekken. Onderweg zien we overal plotseling ontstane en woest kolkende rivieren. We moeten zelfs voor zo’n rivier wachten voordat we door kunnen gaan; hij stroomt te sterk over de weg. Wel leuk om te zien hoe mensen met dit soort plotseling ontstane situaties omgaan. Zo brengt een jongen eerst zijn fiets door de stroom, komt dan terug en brengt vervolgens twee vrouwen door het water naar de andere kant; dan komt hij weer terug en brengt de fiets van een oude man over, komt terug om de bagage op te halen en over te brengen. Als hij ziet dat de oude man alleen door de stroom kan komen, springt hij op zijn eigen fiets en gaat verder. Je kon zien dat hij het door het water vreselijk koud had, maar hij bleef toch lachen en helpen.

Timboektoe, de woestijnstad

Bij de kapper in Timboektoe15 juli: We vertrekken met het vliegtuig vanuit Mopti naar Timboektoe. Het vliegtuig vertrekt later dan gepland en er kunnen met de eerste vlucht maar 3 mensen mee; de rest moet later vanmiddag gehaald worden.
We gaan dan maar terug naar het hotel om te lunchen en uiteindelijk vertrekken we om 14 uur van het vliegveld met een oude Antonov met een Russische bemanning. In Timboektoe hebben we een hotel aan de rand van de woestijn. Was het tot nu toe in Mali heet in Timboektoe is het nog heter.
We zijn één dag in Timboektoe en ik loop met een paar andren door de stad, die midden in de woestijn ligt. Overal is zand en zandkleurige gebouwen en verder zie je veel vergane glorie.
Na de lunch ga ik naar de kapper en later in de middag vertrekken we met kamelen de woestijn in en bezoeken een tentenkamp van de Toearegs. Leuk om te zien hoe deze nomaden leven. Ze wonen precies op een zodanige afstand dat we ’s avonds weer op tijd terug kunnen zijn in het hotel.

Met de boot over de Niger

De volgende dag vertrekken we met auto’s naar de rivier om daar op een boot verder te reizen. Hier zullen we een paar dagen op bivakkeren. We meren aan bij een dorpje voor een bezoek. Ook hier weer veel zand en zandkleurige bebouwing; iedereen is heel vriendelijk.
Het is een rustige dag, want we drijven met de stroom mee en dat gaat dus niet zo snel. Soms moet de bemanning de boot uit, omdat we dreigen vast te lopen op een zandbank. Er moet dan even een handje geholpen worden. In Songha leggen we aan en overnachten er op een camping.
Om 6 uur de volgende morgen gaan we weer varen. Het is dan nog niet zo erg heet, hoewel de temperatuur vrij snel stijgt. Ook vandaag gaat het weer in een langzaam tempo. We bezoeken weer een aantal dorpjes van de Bozo en de Peul en maken daar op een aangename manier kennis met het dagelijkse leven.
Om 19 uur leggen we weer aan en zetten onze tenten op. Aan de overkant van de rivier is een groot feest. We kunnen helaas niet meefeesten, maar luisteren naar de We leggen aan tijdens de boottocht over de Nigermuziek is ook leuk.
’s Nachts begint het opeens te stortregenen en komt er met de hevige wind een flinke zandstorm. De tent houdt het gelukkig en ik kan weer rustig verder slapen.

Om 5 uur is het dan weer opstaan en om 6 uur vertrek. De achterstand die we de eerste vaardag hebben opgelopen moet nog worden ingehaald, dus we varen erg lang door. Het landschap blijft iedere dag hetzelfde: veel zand. Het trekt langzaam aan ons voorbij. Voor de afwisseling bezoeken we ook nog een aantal dorpjes waar we steeds zeer vriendelijk worden begroet.
’s Avonds bleek de bus niet op de afgesproken plaats te staan, dus moeten we doorvaren en komen om ong. 21.30 uur aan in Konma en daar is de bus. Om 23 uur arriveren we uiteindelijk in Sevaré en drinken een lekker koud pilsje om al het zand van de voorgaande dagen eens goed weg te spoelen. Het ‘diner’ bestaat uit brood met soep.
Met een reisgenoot ga ik naar de disco Munganante, maar die viel erg tegen. Onderweg maakten we nog kennis met de plaatselijke tippelaarsters, want die proberen ook iets te verdienen op de uitgaansavond. De disco heeft helaas geen Afrikaanse muziek. Wij zoeken de Mali blues, maar helaas heeft men alleen westerse muziek. Een beetje tegenvaller, dus we houden het al snel voor gezien.

De moskee in Djenne

Djenné, werelderfgoed van Unesco

De volgende morgen vertrekken we om 9 uur en zijn dan om 13 uur in Djenné, waar we onze intrek nemen in een campement. We krijgen een klein kamertje voor 3 personen, omdat we ook op het dak kunnen slapen.
Na de lunch wandelen we door Djenné, een vieze stad met open riool, maar wel behorend tot het werelderfgoed van de Unesco. De beroemde moskee mogen we niet in, omdat er ooit eens een fotoreportage voor een Frans modemagazine is gemaakt waarin zonder enig respect voor de lokale cultuur en de islam vrouwelijke modellen op westerse ‘blote’ wijze zijn gefotografeerd. Vanaf die tijd mogen westerlingen niet meer naar binnen.
’s Avonds een diner: patat met kip en mayonaise, doperwten en sperziebonen. Een feestmaal na al die weken rijst met een rood of bruin prutje en altijd vrij smaakloos.

Op het dak gaan we slapen, maar als het om 1.30 uur weer dreigt te gaan regenen gaan we naar beneden. Als de zandstorm begint en de regen met bakken uit de hemel valt gaat het dak overal lekken en zoeken we een droge plek. We komen met een groep Fransen in een ruimte met muggen en kakkerlakken en komen niet meer aan slapen toe.
koranschool in MaliDe dag na deze nachtelijke onrust zijn we vrij en loop ik met nog een paar medereizigers door Djenné, waar ene Boubou zich bij ons aansluit en ons rondleidt door zijn stad.
De laatste dag zijn we in Segou, dat niet lijkt op het Segou uit de boeken van Maryse Condé. Maar het is wel een heel gezellige Afrikaanse stad met een grote markt. Je ziet veel gebouwen in oude Franse stijl, omdat Segou ooit de hoofdstad van Mali is geweest. Het is best aangenaam om hier onze laatste dag relaxed door te brengen. Ik bezoek hier o.a. een koranschool.
Bij het avondeten nemen we afscheid van onze chauffeur en van Henko, de reisleider.
Op 23 juli gaan we via Bamako weer naar het vliegveld om daar te vertrekken. We vliegen om 17.30 uur en via Nouatchok, de hoofdstad van West Afrika vliegen we via Parijs naar Amsterdam